Onlangs las ik in een Facilitair Journaal iets wat mij de haren recht overeind zette. Het artikel vertelde over een gebouw waar men twaalf (12) jaar over aan het ruziën is geweest. Het betrof een fout in het gebouw waarbij de vraag werd gesteld wie er nu verantwoordelijk was voor de problemen in het gebouw. Ik wil niet verder op de schuldvraag ingaan, maar wel op het scherpst van de snede de discussie aangaan inzake ethisch en praktisch.

Het desbetreffende gebouw werd in 2007 vanwege de architectuur uitgeroepen tot de mooiste school van Nederland. Maar het gebouw vertoonde sinds de ingebruikname diverse mankementen zoals in de zomer werd het veel te heet binnen waardoor er extra gekoeld moest worden. Er was te weinig zonwering, er was verkeerd glas geplaatst, het gebouw lekte via de gevels van alle kanten en het schoolbestuur liet uit eigen zak een overkapping op het binnenterrein aanbrengen om de hitte tegen te gaan.

Het architectenbureau werd eerder aansprakelijk bevonden, maar ging tijden de economische crisis failliet. Op een totaal budget van 22,6 miljoen is er dus een school bedacht en gerealiseerd die prijzen wint, maar waar van de gebruiker steen en been klaagt.

Ik heb hier al vaker over geschreven. Dat het in mijn ogen van de zotte is hoe architectenbureau’s te werk gaan. Ik wil ze niet allemaal over één kam scheren, maar een architect heeft meer te vertellen over een gebouw dan degene die het betaald. Ik heb zelf dit in de praktijk meegemaakt waar een architect stelselmatig oplossingen voor glasbewassing blokkeerde omdat het niet overeen kwam met zijn visie en/of beleving.

En ja, als ik een gebouw moest ontwerpen weet ik één ding zeker: ik win met mijn ontwerp nooit een prijs. Omdat ik een gebouw onderwerp aan de functionaliteit. Mijn toiletten hebben afgeronde hoeken. Mijn receptioniste zal het nooit koud hebben. Ik zorg voor voldoende wandcontactdozen. Feitelijk een foei lelijke schoenendoos met een raster onder de ramen waarop de glazenwasser zijn werk kan doen.

Ja, dat is het spanningsveld tussen mooi en praktisch. Zoals mijn moeder altijd zei, van een mooi gedekte tafel kun je niet eten. Op zich klopt dat wel, maar je wilt toch wel enigszins een fijne warme ambiance hebben. En dan zeg ik, niets mis mee. Maar denk er ook eens aan hoe alle mensen dit gebouw moeten onderhouden. Van schoonmakers tot elektriciens, van tuinmannen tot de vrachtwagenchauffeur die goederen komt lossen en van gebruikers tot bezoekers.

Ik ben echt van mening dat vorm de functionaliteit moet volgen. Je kan best een praktisch gebouw ontwerpen dat er ook mooi uit ziet. En ja, als het gebruik ervan bepaald dat een gebouw organische vorm moet hebben, dan is het in het belang van het gebruik aan te bevelen. Maar onlangs bezocht ik het Guggenheim Museum in Bilbao. En daar zie je dan raampartijen waarbij ik mij afvraag hoe men dat ooit kon bereiken. Die ramen waren in geen tig jaar gewassen. En dat doet ook afbreuk aan een gebouw. Dat is toch hetzelfde als naar een trouwfeest gaan in je beste pak met een overhemd / blouse vol met vlekken!

Ik denk echt dat veel architecten zich vaker het hoofd moeten breken over hoe zij een Award winnen voor het beste ontwerp dan een prijs voor functioneelste gebouw (bestaat die overigens?).

Maurice Rutgrink
Voorzitter SieV